FAQ foknormen rasverenigingen

Veelgestelde vragen en antwoorden over de Foknormen voor rasverenigingen


1. Totstandkoming en wijziging van de Foknormen

Hoe zijn de Foknormen voor stap 1 bepaald?

Voor stap 1 hebben we de rasverenigingen gevraagd welke van de vijf geprotocolleerde screeningsonderzoeken voor hun ras verplicht zijn. Als meerdere rasverenigingen hetzelfde ras vertegenwoordigen, was het voldoende wanneer ten minste één vereniging een onderzoek als verplicht had opgegeven.

Wat gebeurt er als er geen rasvereniging voor een ras is?

Voor rassen zonder aangesloten rasvereniging heeft het bestuur van de Raad van Beheer de Foknormen voor stap 1 vastgesteld op basis van de beschikbare informatie.

Kunnen de Foknormen later worden aangepast?

Ja. De huidige Foknormen zijn de eerste stap. Binnen het GGF worden de normen per ras verder ontwikkeld. Nieuwe of gewijzigde Foknormen worden gepubliceerd voordat ze van kracht worden.

Hoeveel tijd zit er tussen een wijziging en de ingangsdatum?

In de sessies is aangegeven dat tussen publicatie van nieuwe of gewijzigde Foknormen en de ingangsdatum minimaal drie maanden zit.

2. Foknormen en het VFR

Wat is het verschil tussen de Foknormen en het Verenigingsfokreglement (VFR)?

De Foknormen stellen voorwaarden aan de stamboomafgifte en gelden voor alle fokkers van stamboomhonden binnen het betreffende ras. Een VFR is het fokreglement van een rasvereniging en geldt voor de leden van die vereniging.

Mag een VFR strengere eisen stellen dan de Foknormen?

Ja. Een rasvereniging kan in het VFR aanvullende of strengere voorwaarden stellen aan haar eigen leden.

Wat als het VFR minder streng is dan de Foknormen?

Voor de stamboomafgifte zijn de Foknormen bepalend. Een bepaling in het VFR kan er dus niet voor zorgen dat een combinatie die niet aan de Foknormen voldoet toch voor stamboomafgifte in aanmerking komt.

Moet een rasvereniging het VFR aanpassen als het niet meer aansluit op de Foknormen?

Dat ligt wel voor de hand om tegenstrijdige informatie voor fokkers en leden te voorkomen.

3. Het Gezondheidsgericht Fokbeleid

Wat is het Gezondheidsgericht Fokbeleid (GGF)?

Met het GGF ontwikkelen we het fokbeleid per ras verder. Daarbij kijken we niet alleen naar screeningsonderzoeken, maar breder naar gezondheid, gedrag, welzijn en genetische diversiteit. Het uitgangspunt is dat het beleid gebaseerd wordt op relevante gegevens en op wat daadwerkelijk binnen de populatie speelt.

Wie neemt het initiatief voor het GGF?

Het initiatief ligt in beginsel bij de rasvereniging. Het fokbeleid wordt niet door één partij gemaakt: rasverenigingen, fokkers en eigenaren hebben allemaal belangrijke kennis over het ras en de populatie.

Wat als meerdere rasverenigingen hetzelfde ras vertegenwoordigen?

Dan is samenwerking belangrijk. Uiteindelijk is één consistent en goed onderbouwd rasspecifiek fokbeleid wenselijk, waarbij gezondheid, welzijn en de populatie van het ras centraal staan.

Kan het GGF later weer worden aangepast?

Ja. Het GGF is juist bedoeld als een cyclisch proces. We verzamelen en analyseren gegevens, bepalen beleid, volgen de effecten en sturen bij als daar aanleiding voor is.

Moeten rasverenigingen nu al beginnen met het GGF?

Tijdens de sessies hebben we rasverenigingen geadviseerd om hier al mee aan de slag te gaan. We werken tegelijkertijd verder uit hoe we rasverenigingen bij het opstellen van het GGF kunnen ondersteunen.

4. Gezondheidsonderzoeken en DNA-testen

Kunnen in stap 2 andere gezondheidsonderzoeken worden toegevoegd?

Ja. Stap 1 is beperkt tot de vijf geprotocolleerde screeningsonderzoeken. Binnen het GGF kan rasspecifiek worden gekeken naar andere relevante gezondheidsonderzoeken en aandoeningen.

Kunnen DNA-testen onderdeel worden van de Foknormen?

Ja. Relevante DNA-testen kunnen in stap 2 rasspecifiek onderdeel worden van het fokbeleid. Daarbij is het uitgangspunt niet dat zoveel mogelijk wordt getest, maar dat testen daadwerkelijk bijdragen aan verantwoord fokbeleid.

Moeten dragers van een erfelijke aandoening altijd van de fokkerij worden uitgesloten?

Nee. Dat hangt af van de aandoening en de wijze van vererving. Bij een autosomaal recessieve aandoening kan het bijvoorbeeld verantwoord zijn om een drager met een genetisch vrije hond te combineren. Daarmee kunnen aangedane pups worden voorkomen zonder onnodig genetisch materiaal uit de populatie te verliezen.

Kan een rasvereniging binnen het GGF andere afspraken maken over de frequentie van ECVO?

In stap 1 geldt de algemene geldigheid van twaalf maanden. In stap 2 kan met een goede onderbouwing rasspecifiek worden gekeken of een andere onderzoeksfrequentie passend is.

5. Data en ondersteuning

Welke gegevens worden gebruikt voor het GGF?

Dat hangt af van het ras en van de vraag die onderzocht wordt. Denk aan geregistreerde gezondheidsuitslagen, gegevens van rasverenigingen, enquêtes onder eigenaren en fokkers en, waar beschikbaar, gegevens uit binnen- en buitenlandse databanken. Als de buitenlandse populatie belangrijk is voor een ras, kan het juist waardevol zijn om die gegevens ook mee te nemen.

Wie analyseert de gegevens?

Rasverenigingen hebben hierin een belangrijke rol. Tijdens de sessies is aangegeven dat ook de Taskforce Gezondheid op 1 en de Raad van Beheer hierbij ondersteuning willen bieden.

Welke ondersteuning krijgen rasverenigingen bij het opstellen van een GGF?

We werken verder uit hoe we rasverenigingen kunnen ondersteunen bij onder andere het verzamelen en analyseren van gegevens en het uitvoeren van enquêtes.

Worden gegevens van lookalikes ook meegenomen?

Gegevens van lookalikes kunnen relevante informatie opleveren, maar het is belangrijk om onderscheid te kunnen maken tussen stamboomhonden en lookalikes. Anders kan een vertekend beeld van de populatie ontstaan.

6. Genetische diversiteit en kleine populaties

Welke rol speelt genetische diversiteit binnen het GGF?

Genetische diversiteit is een belangrijk onderdeel van het GGF. Gezondheidsbeleid moet niet alleen kijken naar het uitsluiten van aandoeningen, maar ook naar de gevolgen van selectie voor de populatie.

Hoe voorkomen we dat gezondheidseisen de genetische diversiteit te veel beperken?

Dat vraagt om rasspecifiek maatwerk. Een onderzoek of fokregel moet passen bij de problemen die daadwerkelijk binnen het ras spelen. Ook de gevolgen voor de populatie moeten worden meegewogen. Het doel is niet zoveel mogelijk honden van de fokkerij uit te sluiten, maar verantwoord te fokken met oog voor gezondheid, welzijn én genetische diversiteit.

Wat als een ras een zeer kleine Nederlandse populatie heeft?

Dan is het extra belangrijk om de populatie als geheel te bekijken. Daarbij kan ook de buitenlandse populatie worden betrokken. Als de genetische basis binnen het ras onvoldoende is, kunnen op termijn andere maatregelen nodig zijn om de populatie verantwoord te verbreden.

7. Rassen zonder rasvereniging

Hoe wordt het GGF ontwikkeld als er geen rasvereniging is?

Een fokbeleid maak je bij voorkeur samen met de mensen die het ras kennen, fokken en houden. Zonder rasvereniging is het lastiger om die samenwerking structureel te organiseren. We kijken daarom samen met betrokken fokkers wat nodig is om tot een goed onderbouwd fokbeleid voor het ras te komen.

Kunnen fokkers zonder rasvereniging meepraten?

Fokkers hebben belangrijke kennis en praktijkervaring die nodig is voor het fokbeleid. Een gezamenlijke overlegstructuur maakt het wel gemakkelijker om die inbreng te organiseren en gezamenlijk keuzes te maken.