Naar aanleiding van de presentatie over de toekomst van de foknormen hebben rasverenigingen diverse vragen gesteld. Hieronder vind je de belangrijkste vragen en antwoorden, ingedeeld naar Deel A (de directe maatregelen) en Deel B (de verdere ontwikkeling van Gezondheidsgericht Fokbeleid). Zo kun je de informatie eenvoudig terugvinden per onderwerp.
Bekijk hier de PowerPoint presentatie >>
Verplichte screeningsonderzoeken en stamboomafgifte
Deel A van het voorstel richt zich op de invoering van verplichte screeningsonderzoeken per ras en de koppeling daarvan aan de afgifte van stambomen. Het doel is om een duidelijke, toetsbare en handhaafbare ondergrens te creëren voor verantwoord fokken. Deze ondergrens geldt voor alle fokkers die gebruikmaken van het stamboomsysteem van de Raad van Beheer, ongeacht of zij lid zijn van een rasvereniging.
Onderstaande vragen en antwoorden geven nadere toelichting op de voorgestelde wijzigingen.
1. Waarom is deze wijziging nodig?
De maatschappelijke, juridische en wettelijke verwachtingen rondom het fokken van honden zijn de afgelopen jaren veranderd. Waar vroeger vooral gekeken werd naar registratie en raszuiverheid, ligt tegenwoordig veel meer nadruk op gezondheid en welzijn.
Sinds 1 januari 2025 werken fokkers bij de dekaangifte met een verklaring dat zij voldoen aan de geldende wet- en regelgeving, waaronder de Wet dieren. Vanaf 1 januari 2026 controleert de Raad van Beheer bovendien actief of slechte screeningsuitslagen geregistreerd staan. De volgende stap is om ook de relevante screeningsonderzoeken verplicht te stellen voordat een combinatie voor stamboomafgifte in aanmerking komt.
Hiermee ontstaat een systeem waarin gezondheid niet alleen wordt verklaard, maar ook aantoonbaar wordt gecontroleerd.
2. Waarom moet dit nu gebeuren?
Verder uitstel is niet wenselijk. Zonder een duidelijk en handhaafbaar systeem ontstaat het risico dat de afgifte van stambomen juridisch wordt aangevochten of dat de positie van de Raad van Beheer als stamboekhouder onder druk komt te staan.
Daarnaast wil de georganiseerde kynologie zelf regie houden op de inrichting van verantwoord fokbeleid. Door nu een duidelijk kader vast te stellen, blijft er ruimte voor rasspecifieke invulling in plaats van generieke maatregelen die mogelijk door externe partijen zouden worden opgelegd.
3. Waarom worden screeningsonderzoeken gekoppeld aan stamboomafgifte?
Bij de huidige Foknormen kan een stamboom worden afgegeven terwijl op de stamboom wordt vermeld dat niet aan alle foknormen is voldaan. Het voorstel is om deze situatie te beëindigen.
De gedachte hierachter is dat een stamboom een kwaliteitskenmerk moet zijn van een combinatie die voldoet aan de vastgestelde voorwaarden voor verantwoord fokken. Wanneer niet aan de foknormen is voldaan, worden daarom geen stambomen meer afgegeven.
Dit betekent niet dat een stamboom een garantie op gezondheid wordt, maar wel dat aantoonbaar is voldaan aan de vooraf vastgestelde voorwaarden.
4. Waarom wordt fase 1 ingevoerd terwijl fase 2 nog niet is afgerond?
Fase 1 en fase 2 hebben verschillende doelen.
Fase 1 introduceert een directe en handhaafbare ondergrens. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande screeningsonderzoeken en afspraken die al binnen rasverenigingen bestaan.
Fase 2 richt zich op verdere verfijning. Daarin worden de foknormen per ras verder onderbouwd en uitgebreid op basis van data, praktijkervaring en rasspecifieke inzichten.
De keuze voor deze gefaseerde aanpak maakt het mogelijk om direct een minimale gezondheidsborging in te voeren zonder te wachten op de volledige ontwikkeling van het toekomstige Gezondheidsgericht Fokbeleid.
5. Is dit nog zelfregulering of wordt dit opgelegd vanuit de overheid?
De wettelijke kaders zijn vastgelegd in nationale wetgeving en gelden voor iedere fokker. De georganiseerde kynologie heeft echter ruimte om zelf invulling te geven aan de manier waarop verantwoord fokken wordt vormgegeven.
Het voorstel is juist bedoeld om die ruimte te behouden. Door als sector zelf een controleerbaar systeem te ontwikkelen, blijft er ruimte voor maatwerk per ras en voor de inhoudelijke rol van rasverenigingen.
6. Wat gebeurt er als deel A niet wordt aangenomen?
De Algemene Vergadering beslist over het voorstel. In het AV-stuk wordt aangegeven dat de huidige situatie volgens het bestuur onvoldoende toekomstbestendig is en dat verdere maatregelen noodzakelijk zijn om tot een juridisch houdbaar systeem te komen.
De uiteindelijke gevolgen van een eventuele afwijzing zijn afhankelijk van de besluitvorming binnen de vereniging en de verdere beoordeling van de wettelijke verplichtingen die op de Raad van Beheer rusten.
7. Wat gebeurt er als een rasvereniging niet reageert?
Rasverenigingen worden gevraagd aan te geven welke screeningsonderzoeken voor hun ras relevant zijn. Wanneer een rasvereniging binnen de gestelde termijn geen reactie geeft, stelt het bestuur van de Raad van Beheer zelfstandig de foknormen vast.
Daarbij kan gebruik worden gemaakt van bestaande informatie, zoals het Verenigingsfokreglement, internationale richtlijnen en beschikbare gezondheidsinformatie.
8. Wat gebeurt er als meerdere rasverenigingen voor hetzelfde ras verschillende normen voorstellen?
Bij sommige rassen zijn meerdere rasverenigingen actief. Wanneer deze verschillende voorstellen indienen, geldt als uitgangspunt dat de meest strenge norm wordt overgenomen.
Wanneer één of meer verenigingen het hier niet mee eens zijn, kunnen zij hun standpunt onderbouwen. In dat geval kan de Commissie Gezondheid om een bindend advies worden gevraagd.
9. Blijft het Verenigingsfokreglement (VFR) bestaan?
Ja.
Het VFR blijft het document waarin de rasvereniging haar fokbeleid beschrijft voor haar leden. Het bevat de rasspecifieke regels en uitgangspunten die voor het ras van belang worden geacht.
De foknormen vormen het centrale toetsingskader voor stamboomafgifte. Het VFR en de foknormen vullen elkaar daarmee aan.
10. Wat blijft de rol van de rasvereniging?
De rol van de rasvereniging blijft groot.
Rasverenigingen blijven verantwoordelijk voor:
• het ontwikkelen van rasspecifiek fokbeleid;
• het opstellen en actualiseren van het VFR;
• het aanleveren van input voor de foknormen;
• het ontwikkelen van een Gezondheidsgericht Fokbeleid (GGF);
• het verzamelen en interpreteren van rasspecifieke gezondheidsinformatie.
De Raad van Beheer krijgt vooral een uitvoerende en handhavende rol.
11. Welke screeningsonderzoeken vormen de basis van de foknormen?
De huidige geprotocolleerde screeningsonderzoeken zijn:
• Heupdysplasie (HD)
• Elleboogdysplasie (ED)
• Patella Luxatie (PL)
• Oogonderzoek (ECVO)
• Cochleaire Doofheid (CD)
Niet ieder onderzoek is voor ieder ras relevant. Daarom wordt per ras bepaald welke onderzoeken onderdeel worden van de foknormen.
12. Hoe wordt bepaald welke onderzoeken relevant zijn voor een ras?
Bij de beoordeling wordt gekeken naar verschillende bronnen:
• bestaande kennis binnen de rasvereniging;
• gegevens uit het VFR;
• gezondheidsproblemen die binnen het ras bekend zijn;
• internationale richtlijnen;
• wetenschappelijke informatie;
• ervaringen uit landen waar het ras veel voorkomt.
Het doel is om alleen onderzoeken verplicht te stellen die daadwerkelijk relevant zijn voor het betreffende ras.
13. Kunnen rasverenigingen ervoor kiezen bepaalde onderzoeken niet op te nemen?
Ja.
Wanneer een rasvereniging van mening is dat een bepaald onderzoek niet relevant is voor het ras, kan zij dat aangeven. Daarbij wordt wel verwacht dat dit standpunt inhoudelijk wordt onderbouwd.
Het uitgangspunt blijft dat de gekozen foknormen aansluiten bij de bekende gezondheidsrisico's binnen het ras.
14. Wat gebeurt er als een aandoening slechts sporadisch voorkomt?
Niet iedere aandoening rechtvaardigt automatisch een algemene verplichting.
Wanneer een aandoening slechts incidenteel voorkomt en er onvoldoende aanwijzingen zijn dat sprake is van een relevant ras probleem, kan dat aanleiding zijn om een onderzoek niet op te nemen in de foknormen.
De onderbouwing hiervan blijft belangrijk.
15. Wat gebeurt er als hierdoor een groot deel van de populatie uitvalt?
Dit is een belangrijke zorg die door meerdere rasverenigingen is geuit.
Gezondheid is een belangrijk uitgangspunt, maar het behoud van genetische diversiteit is eveneens essentieel voor een duurzame populatie. In de verdere ontwikkeling van het Gezondheidsgericht Fokbeleid wordt nadrukkelijk gekeken naar deze balans.
Uiteraard moet iedereen zich in Nederland aan de Nederlandse wet houden, honden die niet gezond zijn mag je niet inzetten voor de fokkerij.
Het doel is niet om zoveel mogelijk dieren uit te sluiten, maar om verantwoorde keuzes te maken die zowel gezondheid als populatiebehoud ondersteunen.
16. Blijft het bij deze vijf screeningsonderzoeken?
Nee.
De vijf huidige screeningsonderzoeken vormen de start van fase 1. In fase 2 kunnen aanvullende onderzoeken worden toegevoegd wanneer deze relevant zijn voor een ras.
Daarbij kan worden gedacht aan DNA-testen, hartonderzoeken, orthopedische onderzoeken of andere geprotocolleerde onderzoeken.
17. Wat verandert er voor fokkers?
Fokkers moeten voorafgaand aan de dekking voldoen aan de screeningsonderzoeken die voor hun ras zijn vastgesteld.
Wanneer niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, komen de pups niet in aanmerking voor een stamboom.
Hierdoor wordt screening naar bepaalde aandoeningen een integraal onderdeel van het stamboomproces.
18. Vanaf wanneer gelden de nieuwe regels?
Volgens de planning:
• Publicatie foknormen: 1 juli 2026
• Handhaving: vanaf 1 oktober 2026
De daadwerkelijke invoering is afhankelijk van de noodzakelijke ICT-aanpassingen.
19. Is de dekdatum leidend?
Ja.
De dekdatum bepaalt welke regels van toepassing zijn. Voor dekkingen vóór de ingangsdatum gelden de bestaande regels. Voor dekkingen daarna gelden de nieuwe foknormen.
20. Wat gebeurt er met reeds geplande combinaties?
Voor fokkers die al plannen hebben gemaakt is de dekdatum bepalend.
Combinaties die vóór de invoeringsdatum plaatsvinden vallen onder de bestaande systematiek. Voor latere combinaties moet worden voldaan aan de dan geldende foknormen.
21. Waarom is reparatie achteraf niet meer mogelijk?
Het doel van screeningsonderzoeken is om informatie beschikbaar te hebben vóór de ouderkeuze wordt gemaakt.
Wanneer onderzoeken pas na de dekking plaatsvinden, kunnen zij geen rol meer spelen bij de selectie van de ouderdieren. Daarom moeten de relevante onderzoeken vooraf beschikbaar zijn.
22. Wat gebeurt er met oudere honden die wel onderzocht zijn maar niet volgens de huidige registratiesystematiek?
Voor oudere honden kan de situatie verschillen. Het uitgangspunt blijft dat de benodigde informatie controleerbaar moet zijn.
Wanneer onderzoeken niet volgens de huidige systematiek zijn geregistreerd, zal moeten worden bekeken welke informatie nog beschikbaar is en in hoeverre deze voldoet aan de eisen die op dat moment gelden.
23. Welke buitenlandse uitslagen worden geaccepteerd?
De kynologie is internationaal georganiseerd en uitwisseling van genetisch materiaal tussen landen is belangrijk voor het behoud van gezonde populaties en voldoende genetische diversiteit. Daarom is het uitgangspunt niet dat uitsluitend Nederlandse onderzoeksuitslagen worden geaccepteerd.
Buitenlandse uitslagen kunnen worden geaccepteerd wanneer zij voldoen aan een aantal voorwaarden:
• de identiteit van de hond moet eenduidig vaststaan;
• de onderzoeksuitslagen moet herleidbaar zijn naar de betreffende hond;
• de gegevens moeten afkomstig zijn van een betrouwbare en controleerbare bron;
• de uitgevoerde onderzoeken moeten relevant zijn voor het ras;
• de resultaten moeten controleerbaar zijn voor de Raad van Beheer.
Hierdoor blijft internationale samenwerking mogelijk, terwijl tegelijkertijd de betrouwbaarheid van de gezondheidsinformatie wordt gewaarborgd.
24. Moeten buitenlandse honden opnieuw onderzocht worden?
Niet automatisch.
Wanneer een buitenlandse hond beschikt over onderzoeksresultaten die voldoende betrouwbaar, controleerbaar en vergelijkbaar zijn met de vereiste onderzoeken, kunnen deze worden meegewogen.
Het doel van de regeling is niet om buitenlandse honden uit te sluiten, maar om ervoor te zorgen dat de relevante gezondheidsinformatie beschikbaar is voordat een fokcombinatie wordt gemaakt.
Per situatie kan worden bekeken of aanvullende informatie nodig is.
25. Wat als een onderzoek in het buitenland niet gebruikelijk is?
Onderzoeksprogramma's verschillen tussen landen. Sommige landen kennen bepaalde screeningsonderzoeken niet, terwijl andere landen juist aanvullende onderzoeken verplicht stellen.
Wanneer een onderzoek in het buitenland niet gebruikelijk is, betekent dit niet automatisch dat een hond niet kan worden ingezet voor de fokkerij. Wel moet kunnen worden aangetoond dat bekende gezondheidsrisico's binnen het ras voldoende zijn meegewogen bij de keuze van het ouderdier.
Het uitgangspunt blijft dat de fokker verantwoordelijkheid draagt voor een zorgvuldige en onderbouwde ouderkeuze.
26. Wat als in het land van herkomst helemaal niet wordt getest?
Ook dan blijft de verantwoordelijkheid van de fokker bestaan.
Wanneer binnen een ras bekende gezondheidsrisico's bestaan, mag van een fokker worden verwacht dat hij of zij onderzoekt of de beoogde ouderdieren vrij zijn van aandoeningen die voor het ras relevant zijn.
Als in een bepaald land geen formeel onderzoekssysteem bestaat, kunnen andere controleerbare bronnen mogelijk een rol spelen. Het uitgangspunt blijft echter dat de gezondheid van beide ouderdieren voldoende moet kunnen worden onderbouwd.
27. Hoe wordt voorkomen dat buitenlandse honden onbruikbaar worden?
Een belangrijk uitgangspunt van het AV-stuk is dat internationale samenwerking mogelijk moet blijven. Veel rassen zijn afhankelijk van buitenlandse bloedlijnen om voldoende genetische diversiteit te behouden.
De voorgestelde systematiek is daarom niet bedoeld om buitenlandse honden uit te sluiten, maar om ervoor te zorgen dat de beschikbare gezondheidsinformatie inzichtelijk en controleerbaar is.
Door te werken met toetsbare kaders ontstaat ruimte voor internationale samenwerking én voor verantwoorde gezondheidsborging.
28. Waarom geldt een geldigheid van 12 maanden?
Voor ECVO-onderzoeken wordt aangesloten bij de internationale richtlijnen van ECVO en ACVO.
Deze organisaties hebben vastgesteld dat de geldigheid van een ECVO-onderzoek in beginsel twaalf maanden bedraagt. Omdat bepaalde oogafwijkingen zich gedurende het leven kunnen ontwikkelen, is periodieke controle belangrijk.
Door aan te sluiten bij de internationale richtlijnen ontstaat een uniforme en internationaal herkenbare werkwijze.
29. Betekent iedere afwijking automatisch uitsluiting van de fokkerij?
Nee.
Een ECVO-onderzoek kan verschillende afwijkingen vaststellen. Niet iedere afwijking heeft dezelfde betekenis voor de gezondheid en het welzijn van de hond of diens nakomelingen.
Sommige aandoeningen worden beschouwd als ernstig en zijn niet verenigbaar met verantwoord fokken. Andere afwijkingen worden binnen de internationale richtlijnen als minder zwaar beoordeeld.
Bij de beoordeling wordt daarom niet alleen gekeken naar de aanwezigheid van een afwijking, maar ook naar de ernst en de gevolgen voor gezondheid en welzijn.
30. Hoe wordt omgegaan met optionele ECVO-bevindingen?
Binnen de ECVO-richtlijnen bestaat voor bepaalde afwijkingen de classificatie "optioneel".
Dit betekent dat een afwijking aanwezig kan zijn zonder dat automatisch wordt geadviseerd om de hond uit te sluiten van de fokkerij.
In dergelijke gevallen wordt vaak geadviseerd om de hond uitsluitend te combineren met een ouderdier dat vrij is van dezelfde afwijking.
Hiermee wordt rekening gehouden met zowel gezondheidsrisico's als het behoud van genetische diversiteit.
31. Kan de geldigheidsduur later veranderen?
In fase 1 wordt aangesloten bij de bestaande internationale richtlijnen.
In fase 2 kan op basis van data, praktijkervaring en rasspecifieke onderbouwing worden bekeken of voor bepaalde aandoeningen of rassen een andere aanpak beter passend is.
Dat betekent dat toekomstige aanpassingen mogelijk zijn wanneer daarvoor voldoende inhoudelijke onderbouwing bestaat.
32. Hoe wordt omgegaan met rasspecifieke uitzonderingen?
Sommige oogafwijkingen gedragen zich anders dan andere. Er zijn aandoeningen waarbij bekend is dat één onderzoek voldoende zekerheid biedt, terwijl andere afwijkingen juist gedurende het leven kunnen ontstaan.
Binnen het toekomstige Gezondheidsgericht Fokbeleid kan ruimte ontstaan voor rasspecifieke onderbouwing van dergelijke uitzonderingen.
Het uitgangspunt blijft dat afwijkingen zorgvuldig worden beoordeeld op basis van beschikbare kennis en gegevens.
33. Is Distichiasis altijd fokuitsluitend?
Nee.
Binnen de ECVO-richtlijnen wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende gradaties van Distichiasis.
Niet iedere vastgestelde vorm van Distichiasis heeft automatisch dezelfde gevolgen voor gezondheid, welzijn of fokgeschiktheid.
De interpretatie vindt plaats binnen de geldende ECVO-richtlijnen. Daarbij spelen de ernst van de afwijking en de mogelijke gevolgen voor het dier een belangrijke rol.
34. Hoe wordt omgegaan met ingevroren sperma?
Het gebruik van ingevroren sperma blijft mogelijk.
Bij kunstmatige inseminatie moet echter net als bij natuurlijke dekking kunnen worden onderbouwd dat de gekozen combinatie verantwoord is. Daarbij wordt gekeken naar gezondheid, welzijn en de bijdrage aan de populatie.
De inzet van ingevroren sperma kan juist waardevol zijn voor het behoud van genetische diversiteit.
35. Hoe wordt omgegaan met overleden reuen?
Ook sperma van overleden reuen kan onder voorwaarden worden gebruikt.
Het uitgangspunt is dat de fokker kan onderbouwen waarom de inzet van deze reu verantwoord is en hoe deze bijdraagt aan de gezondheid en ontwikkeling van het ras.
Hierbij kunnen gezondheidsgegevens, afstammingsinformatie en populatie-overwegingen een rol spelen.
36. Kunnen genetisch waardevolle oudere reuen nog worden ingezet?
Ja.
Het voorstel is niet bedoeld om genetisch waardevolle dieren uit te sluiten. Integendeel: het behoud van genetische diversiteit wordt expliciet genoemd als belangrijke randvoorwaarde voor duurzaam fokbeleid.
Wanneer een oudere reu een belangrijke bijdrage kan leveren aan de genetische variatie binnen een ras, kan dat een relevante factor zijn bij de beoordeling van zijn inzet.
Wel blijft gelden dat de inzet verantwoord moet kunnen worden onderbouwd.
37. Welke onderbouwing is nodig voor gebruik van sperma?
De precieze beoordeling hangt af van de situatie.
Van belang kunnen zijn:
• beschikbare gezondheidsinformatie;
• bekende gezondheidsproblemen binnen de lijn;
• genetische waarde voor de populatie;
• beschikbare onderzoeksresultaten;
• de bijdrage aan genetische diversiteit;
• de mate waarin de inzet past binnen verantwoord fokbeleid.
Het doel is om ruimte te bieden voor maatwerk zonder de uitgangspunten van gezondheid en welzijn uit het oog te verliezen.
Gezondheidsgericht Fokbeleid (GGF)
Deel B van het voorstel beschrijft de verdere ontwikkeling van het fokbeleid na de invoering van de verplichte screeningsonderzoeken uit Deel A.
Waar Deel A een directe en handhaafbare ondergrens introduceert, richt Deel B zich op de verdere ontwikkeling van een Gezondheidsgericht Fokbeleid (GGF). Daarbij wordt gezondheid niet uitsluitend beoordeeld op basis van screeningsonderzoeken, maar wordt gekeken naar een breder geheel van gezondheid, welzijn, genetische diversiteit, gedrag en uiterlijke kenmerken.
Het doel is een systeem dat zowel wetenschappelijk onderbouwd als praktisch uitvoerbaar is en tegelijkertijd voldoende ruimte laat voor rasspecifieke verschillen.
38. Wat is het Gezondheidsgericht Fokbeleid (GGF)?
Het Gezondheidsgericht Fokbeleid vormt het inhoudelijke fundament van het toekomstige fokbeleid.
Binnen het GGF wordt per ras vastgesteld welke gezondheidsrisico's, erfelijke aandoeningen, uiterlijke kenmerken en aandachtspunten relevant zijn. Dit gebeurt op basis van beschikbare data, praktijkervaring, wetenschappelijke inzichten en kennis vanuit rasverenigingen.
Het GGF is daarmee geen afzonderlijk reglement, maar de onderbouwing waarop toekomstige foknormen worden gebaseerd.
39. Waarom is een GGF nodig naast screeningsonderzoeken?
Screeningsonderzoeken geven waardevolle informatie, maar vormen slechts een deel van het totale gezondheidsbeeld van een ras.
Een hond kan uitstekende screeningsuitslagen hebben, terwijl er binnen de populatie andere aandachtspunten bestaan, zoals erfelijke aandoeningen, verlies van genetische diversiteit, gedragsproblemen of schadelijke uiterlijke kenmerken.
Het GGF maakt het mogelijk om al deze factoren in samenhang te beoordelen.
40. Kan Deel A worden ingevoerd zonder Deel B?
Formeel worden beide onderdelen afzonderlijk in stemming gebracht.
Inhoudelijk zijn beide onderdelen echter nauw met elkaar verbonden. Deel A introduceert een minimale en direct handhaafbare ondergrens. Deel B beschrijft hoe het fokbeleid daarna verder wordt ontwikkeld en onderbouwd.
Zonder Deel B zou het systeem grotendeels beperkt blijven tot screeningsonderzoeken, terwijl het doel juist is om gezondheid breder en structureler te benaderen.
41. Wat is het uiteindelijke doel van het GGF?
Het uiteindelijke doel is een toekomstbestendig systeem waarin:
• gezondheid en welzijn centraal staan;
• keuzes uitlegbaar en controleerbaar zijn;
• genetische diversiteit behouden blijft;
• rasspecifiek maatwerk mogelijk blijft;
• de georganiseerde kynologie zelf regie houdt.
Daarnaast moet het systeem bestand zijn tegen maatschappelijke, juridische en politieke ontwikkelingen.
42. Wie stelt het GGF op?
De rasvereniging speelt hierbij een centrale rol.
Rasverenigingen beschikken vaak over de meeste kennis van hun ras en zijn daarom het best in staat om gezondheidsproblemen, risico's en prioriteiten te benoemen.
De ontwikkeling van een GGF vindt plaats op basis van samenwerking tussen rasverenigingen, deskundigen, beschikbare data en de Raad van Beheer.
43. Wie bepaalt uiteindelijk de foknormen?
De rasvereniging levert de inhoudelijke onderbouwing en voorstellen aan.
Het bestuur van de Raad van Beheer stelt uiteindelijk de foknormen vast. Daarbij wordt rekening gehouden met de input van rasverenigingen, de wettelijke kaders en eventuele adviezen van de Commissie Gezondheid.
44. Welke rol houdt de Raad van Beheer?
De Raad van Beheer heeft verschillende rollen:
• beheer van de centrale registratie;
• vaststelling van de foknormen;
• ondersteuning van rasverenigingen;
• handhaving van de regels;
• bewaking van de kwaliteit en controleerbaarheid van het systeem.
De Raad van Beheer neemt daarmee vooral een faciliterende en toezichthoudende positie in.
45. Welke rol heeft de Commissie Gezondheid?
De Commissie Gezondheid kan worden gevraagd om advies uit te brengen wanneer er verschil van inzicht bestaat over foknormen of gezondheidsvraagstukken.
Het doel hiervan is om besluiten te baseren op inhoudelijke expertise en wetenschappelijke onderbouwing.
46. Wat blijft de rol van rasverenigingen?
De rol van rasverenigingen blijft groot.
Zij blijven verantwoordelijk voor:
• het verzamelen van kennis over het ras;
• het ontwikkelen van rasspecifiek beleid;
• het opstellen van een GGF;
• het actualiseren van het VFR;
• het signaleren van nieuwe ontwikkelingen.
Het voorstel is nadrukkelijk niet bedoeld om deze rol te vervangen.
47. Kunnen DNA-testen klinische onderzoeken vervangen?
In sommige gevallen kan dat mogelijk zijn.
Wanneer een DNA-test wetenschappelijk voldoende betrouwbaar is en dezelfde informatie oplevert als een klinisch onderzoek, kan deze in de toekomst mogelijk als alternatief worden ingezet.
Voor verschillende aandoeningen wordt onderzocht of dergelijke alternatieven beschikbaar zijn.
Het uitgangspunt blijft dat de gekozen methode voldoende zekerheid moet bieden.
48. Blijft ‘vrij door vererving bestaan?
Vrij door vererving is voor veel fokkers een belangrijk onderwerp.
Binnen de huidige discussie wordt onderzocht hoe dit principe in de toekomst kan worden ondersteund en geregistreerd. Daarbij spelen zowel praktische als technische aspecten een rol.
Over de verdere uitwerking zullen op een later moment aanvullende besluiten worden genomen (AV november 2026).
49. Wordt samenwerking tussen laboratoria gestimuleerd?
Ja.
Een goede samenwerking tussen laboratoria kan bijdragen aan betere vergelijkbaarheid van resultaten, meer efficiëntie en een betere beschikbaarheid van gezondheidsinformatie.
Binnen de verdere ontwikkeling van het fokbeleid wordt gekeken hoe samenwerking en gegevensuitwisseling kunnen bijdragen aan een beter onderbouwd gezondheidsbeleid.
Het uiteindelijke doel is een systeem waarin gezondheidsinformatie zo betrouwbaar, transparant en bruikbaar mogelijk beschikbaar is voor fokkers, rasverenigingen en de Raad van Beheer.
50. Hoe bewaakt het GGF de balans tussen gezondheid en genetische diversiteit?
Een van de grootste uitdagingen binnen fokbeleid is het vinden van een balans tussen gezondheidsverbetering en behoud van voldoende genetische variatie.
Wanneer uitsluitend wordt gestuurd op uitsluiting van dieren, kan de genetische basis van een ras te klein worden. Dat kan op termijn juist nieuwe gezondheidsproblemen veroorzaken.
Daarom wordt genetische diversiteit expliciet genoemd als randvoorwaarde binnen het GGF.
51. Hoe wordt voorkomen dat gezondheidseisen leiden tot verlies van genetische variatie?
Binnen het GGF wordt niet alleen gekeken naar individuele honden, maar ook naar de populatie als geheel.
Bij het vaststellen van normen wordt daarom gekeken naar:
• populatieomvang;
• beschikbare fokdieren;
• genetische spreiding;
• risico op inteelt;
• effecten van uitsluitingscriteria.
Het doel is om gezondheid te verbeteren zonder de populatie onnodig te verkleinen.
52. Hoe wordt omgegaan met kleine rassen en beperkte populaties?
Voor kleine rassen gelden vaak andere uitdagingen dan voor grote populaties.
Bij deze rassen kan extra aandacht worden besteed aan:
• buitenlandse bloedlijnen;
• internationale gegevens;
• behoud van genetische diversiteit;
• proportionele gezondheidsmaatregelen.
Het beleid moet aansluiten bij de mogelijkheden en beperkingen van het ras.
53. Wordt ook gekeken naar inteelt?
Ja.
Populatieopbouw en genetische diversiteit maken onderdeel uit van de analyses binnen het GGF.
Inteelt is niet het enige aandachtspunt, maar wordt wel gezien als een belangrijke factor voor de gezondheid.
54. Komen er hulpmiddelen voor inteeltberekeningen?
Er bestaat de wens om fokkers en rasverenigingen beter inzicht te geven in verwantschappen en inteelt.
De verdere ontwikkeling hiervan is afhankelijk van beschikbare middelen, technische mogelijkheden en prioriteiten binnen de organisatie.
55. Kunnen nieuwe onderzoeken worden toegevoegd?
Ja.
Wanneer uit data of praktijkervaring blijkt dat aanvullende onderzoeken noodzakelijk zijn, kunnen deze worden toegevoegd aan de foknormen.
Voorbeelden zijn:
• DNA-testen;
• hartonderzoeken;
• neurologische onderzoeken;
• orthopedische onderzoeken;
• andere geprotocolleerde testen.
56. Hoe wordt voorkomen dat steeds meer onderzoeken verplicht worden?
Het uitgangspunt is niet om zoveel mogelijk onderzoeken verplicht te stellen.
Nieuwe eisen moeten inhoudelijk worden onderbouwd en aantoonbaar bijdragen aan gezondheid en welzijn binnen het ras.
Het GGF moet leiden tot beter beleid, niet automatisch tot meer regels.
57. Hoe wordt bepaald of een nieuwe test echt nodig is?
Daarbij wordt gekeken naar:
• de ernst van het gezondheidsprobleem;
• de frequentie binnen het ras;
• de betrouwbaarheid van de test;
• de gevolgen voor welzijn;
• de impact op de populatie.
Pas wanneer voldoende onderbouwing aanwezig is, kan een onderzoek onderdeel worden van de foknormen.
58. Kunnen foknormen later weer worden aangepast?
Ja.
Nieuwe kennis, nieuwe onderzoeken of veranderende omstandigheden kunnen aanleiding zijn om normen aan te passen.
Het systeem is bewust dynamisch ingericht.
59. Wat gebeurt er als wetenschappelijke inzichten veranderen?
Wetenschap staat nooit stil.
Wanneer nieuwe inzichten beschikbaar komen, moeten deze kunnen worden verwerkt in het fokbeleid. Het GGF is daarom gebaseerd op een continue verbetercyclus van analyseren, evalueren en bijstellen.
60. Welke data worden gebruikt voor het GGF?
Het GGF maakt gebruik van verschillende soorten informatie, waaronder:
• screeningsuitslagen;
• DNA-uitslagen;
• gezondheidsregistraties;
• populatiegegevens;
• praktijkervaring;
• wetenschappelijke publicaties.
Het doel is om besluiten zo goed mogelijk te onderbouwen.
61. Kunnen buitenlandse gegevens worden gebruikt?
Ja.
Voor veel rassen zijn buitenlandse gegevens een belangrijke bron van informatie. Deze kunnen helpen om trends te herkennen of om gezondheidsproblemen beter te begrijpen.
62. Hoe wordt de kwaliteit van de data bewaakt?
Niet alle data zijn even betrouwbaar.
Daarom wordt gekeken naar:
• herkomst van de gegevens;
• controleerbaarheid;
• omvang van de dataset;
• wetenschappelijke onderbouwing.
Betrouwbare gegevens zijn essentieel voor goed beleid.
63. Worden ook gegevens van honden zonder stamboom gebruikt?
Dat kan.
Hoewel het GGF primair gericht is op de stamboomhondenpopulatie, kunnen gegevens van niet-geregistreerde honden soms aanvullende inzichten bieden.
64. Waarom worden uiterlijke kenmerken onderdeel van het GGF?
Gezondheid wordt niet uitsluitend bepaald door erfelijke aandoeningen.
Ook uiterlijke kenmerken kunnen gevolgen hebben voor welzijn en gezondheid. Daarom worden deze aspecten nadrukkelijk meegenomen in de verdere ontwikkeling van het fokbeleid.
65. Wat betekent dit voor rassen met bekende exterieurproblemen?
Bij rassen waar bepaalde uiterlijke kenmerken een risico vormen voor welzijn of gezondheid, kan worden onderzocht hoe deze risico's kunnen worden verminderd.
Dit gebeurt bij voorkeur in samenwerking met de betrokken rasverenigingen.
66. Hoe wordt bepaald welke uiterlijke kenmerken een risico vormen?
Daarbij wordt gekeken naar:
• wetenschappelijke kennis;
• veterinaire inzichten;
• praktijkervaring;
• beschikbare gegevens.
Het doel is om risico's objectief te beoordelen.
67. Werken strengere regels niet juist fokkers buiten het stamboomsysteem in de hand?
Dat risico wordt regelmatig genoemd.
Tegelijkertijd is het doel van het voorstel juist om de meerwaarde van verantwoord en controleerbaar fokken zichtbaar te maken.
Een stamboom moet een herkenbaar kwaliteitskenmerk blijven.
68. Hoe wil de Raad van Beheer het verschil zichtbaar maken tussen verantwoord en onverantwoord fokken?
Door gezondheid, welzijn en controleerbaarheid beter te borgen binnen het stamboomsysteem.
Hierdoor wordt voor pupkopers duidelijker welke inspanningen zijn geleverd om verantwoord te fokken.
69. Hoe wordt het systeem geëvalueerd?
Het GGF werkt volgens een continue verbetercyclus:
• analyseren;
• uitvoeren;
• monitoren;
• bijstellen.
Daardoor blijft het beleid actueel en kan het inspelen op nieuwe ontwikkelingen.
70. Hoe ziet het tijdpad eruit?
Volgens het AV-stuk:
• juli 2026: publicatie foknormen;
• oktober 2026: start handhaving;
• eind 2026 / begin 2027: verdere uitwerking per ras;
• vanaf 2027: doorontwikkeling en evaluatie.
71. Hoe worden gezondheidsgegevens en privacy beschermd?
Gezondheidsgegevens worden verwerkt binnen de geldende privacywetgeving.
Daarbij wordt zorgvuldig omgegaan met persoonsgegevens en wordt alleen informatie gebruikt die noodzakelijk is voor de uitvoering van het fokbeleid.
72. Komt er een communicatieplan over de verbetering van de gezondheid van rashonden?
De eerste prioriteit ligt bij de invoering en uitvoering van het systeem.
Naarmate meer resultaten beschikbaar komen, kan hierover breder worden gecommuniceerd richting fokkers, leden, overheid en publiek.
73. Waar kunnen fokkers en rasverenigingen terecht met nieuwe vragen?
Fokkers en rasverenigingen kunnen terecht bij de Raad van Beheer, hun rasvereniging en toekomstige informatiebijeenkomsten.
Daarnaast zullen nieuwe inzichten en veel gestelde vragen ook in toekomstige communicatie worden verwerkt.